|
In deel 1 heeft u kunnen lezen welke
soorten rosella's zoal worden onderscheiden en welke uiterlijke
kenmerken de soorten en ondersoorten bezitten.
In dit deel zal o.a. worden ingegaan op het verspreidingsgebied van
de verschillende soorten, het leefgebied, de voeding, de huisvesting,
het broedproces en de mutaties die bij verschillende soorten zijn
opgetreden.
VERSPREIDINGSGEBIED VAN DE
VERSCHILLENDE SOORTEN
Verspreidingsgebied van het geslacht Platycercus eximius
De 'Gewone Rosella' (Pl. eximius eximius) komt voor in zuidelijk
Nieuw Zuid Wales en Victoria tot in het zuidoosten van Zuid
Australië.
De Tasmanische Rosella (Pl. eximius diemensis), zo doet de naam al
vermoeden, komt alleen maar voor op Tasmanië.
De Prachtrosella (Pl. eximius cecilia) treffen we voornamelijk aan
in het binnenland van Zuid Queensland en Nieuw Zuid Wales.
Verspreidingsgebied van het geslacht Platycercus elegans
De 'Gewone Pennant Rosella' (Pl. elegans elegans) komt voor in Zuid-Oost Queensland tot het zuidoosten van Zuid - Australië.
De Noordelijke Pennant Rosella (Pl. elegans nigrescens) is te vinden
in Noordoost Queensland.
De 'Donkere' Pennant Rosella (Pl. elegans melanoptera) komt voor op Kangeroo-eiland, een eiland gelegen in Zuid Australië.
De Fleurieuse Pennant Rosella heeft z'n naam te danken aan het
eiland waar hij voorkomt, namelijk het schiereiland Fleurieu in
Zuidwest Australië.
De Adelaide Rosella (Pl. elegans adelaide) komt in grote aantallen
voor in de directe omgeving van de stad Adelaide, de heuvels ten
noorden ervan en de zuidelijke Flinders Ranges. Het is niet moeilijk
te raden hoe deze vogel aan zijn naam is gekomen.
De Noordelijke Adelaide Rosella, waarbij nog slecht een heel weinig
geel in de borst voorkomt, vinden we, hoe kan het anders, ten
noorden van de stad Adelaide.
De Strogele Rosella (Pl. elegans flaveolus) leeft in het Murray -
Lachlan - Murrumbidgee - riviergebied in Zuid-Oost Australië. Ze
leven en nestelen vooral in riviereucalyptussen. Voeden doen ze zich
echter in eucalyptusstruikgewas en op akkers.
Verspreidingsgebied van het geslacht Platycercus icterotis
De Westelijke Stanley Rosella (Pl. icterotis icterotis) bewoont de
kuststreek van Zuid Australië, terwijl de Oostelijke Stanley Rosella
(Pl. icterotis xanthogenus) voorkomt in het binnenland van Zuidwest
Australië.
Verspreidingsgebied van het geslacht Platycercus adscitus
De Bleekkop Rosella (Pl. adscitus adscitus) komt voor in het
noordelijke en oostelijke gedeelte van Queensland tot het noorden
van Nieuw Zuid Wales en zuidelijk tot aan Sydney.
De Blauwwang Bleekkop Rosella (Pl. adscitus amathusiae) komt
daarentegen alleen maar voor in noordelijk Queensland. De soort komt
weinig voor en is dan ook (nog) onopvallender dan de Bleekkop Rosella.
Verspreidingsgebied van het geslacht Platycercus caledonicus
De Geelbuik Rosella (Pl. caledonicus) komt talrijk voor het eiland
Tasmanië en op nog een aantal kleine eilandjes (eilandjes van de Bass straat) rondom Tasmanië.
Verspreidingsgebied van het geslacht Platycercus venustus
De Brown Rosella komt voor in Noorwest en Noord Australië waar een
tropisch klimaat heerst met een gemiddelde dagtemperatuur van ca. 29
C.
Opmerking:
Het is van belang te weten dat er met betrekking tot de kleur en de
grootte van de verschillende rassen zogenaamde "klimaatwetten"
gelden.
Gloger zegt namelijk dat de kleuren van de veren van in vochtiger
gebieden voorkomende dieren donkerder zijn dan van dieren die in
drogere gebieden voorkomen. Een hoge luchtvochtigheid bevordert
namelijk de aanmaak van de donkere kleurstof melanine.
Daarentegen wordt echter de vorming van geelbruine kleurstoffen (pheomelaninen)
bevorderd door een lage luchtvochtigheid.
Daarbij stelt Bergmann, zo heeft u al kunnen lezen, dat geografische
rassen van een soort kleiner zijn naar mate het in de gebieden waar
ze zich ophouden warmer is.
Vooral bij de verschillende rassen Pennant Rosella's zijn deze
klimaatwetten goed waar te nemen.
LEEFGEBIED
De natuurlijke leefomgeving van de meeste Rosella's is open bosland
of spaarzaam bebost grasland (savannen). In de loop van de tijd is
een deel van hun verspreidingsgebied bewoond en bebouwd geraakt.
Veel soorten hebben zich prima aan deze omstandigheden kunnen
aanpassen en zijn dan ook doorgedrongen tot in de tuinen en het
bouwland van de bewoners.
De Pennant Rosella leeft in de bossen van Oost-Australië. Ze zijn
talrijk en leven ook in stadsparken en - tuinen. Ze zijn zo talrijk
in Australië dat hun schoonheid door de Austaliërs maar amper meer
wordt gezien. Ze leven hoofdzakelijk in bomen.
Toch is inmiddels gebleken dat de Pennant Rosella zich minder goed
weet aan te passen wanneer bossen worden gekapt. We zien dan ook dat,
daar waar in het leefgebied van de Pennant Rosella de bossen worden
gekapt, de Rosella zijn plaats inneemt.
De Adelaide Rosella is vaak te vinden in de direkte omgeving -
tuinen en parken - van mensen. Verder komen ze verspreid voor in
open bosgebieden en open savannen.
De Strogele Rosella houdt zich bij voorkeur op in bossen, langs
rivieren (Darling, Murrumbidgee en Lachlan) en in moerassige
gebieden.
Vanwege het laatste heeft hij in Australië de bijnaam gekregen van "Moeras lori".
Stanley Rosella's voelen zich prima op hun gemak in de nabijheid van
mensen. Stanley Rosella's zijn dan ook vaak waar te nemen in
stadsgebieden en rondom boerderijen.
Verder valt over de Stanley Rosella nog te vermelden dat ze grote
schade kunnen aanrichten in bloementuinen en boomgaarden. Om deze
reden mogen Stanley Rosella's het gehele jaar door in Australië
worden afgeschoten, hetgeen trouwens voor meerdere soorten geldt.
De Bleekkop Rosella en Blauwwang Bleekkop Rosella houden zich bij
voorkeur op in open bossen, waar ze paarsgewijs of in kleine
groepjes leven.
De wetenschappelijke benaming van de Geelbuik Rosella, Pl.
caledonicus, doet vermoeden dat deze soort op (Nieuw) Caledonië
voorkomt en hier z'n leefgebied heeft. Niets is echter minder waar.
De wetenschappelijke benaming van deze soort is namelijk niet
correct! De vogel wordt hier namelijk niet aangetroffen.
De Geelbuik Rosella kreeg zijn verkeerde naam in 1781 toen hij werd
meegenomen naar Europa en men veronderstelde dat hij uit Nieuw-Caledonië kwam. Toen de wetenschappelijke naam eenmaal gegeven
was, is men hier nimmer op teruggekomen.
Ze leven, zoals reeds eerder aangegeven, op Tasmanië en de eilanden
van de Bass straat. Hier vinden we ze voornamelijk in dichte
bergwouden en halfopen wouden. In Alpinegebieden leven ze zelfs tot
boven de sneeuwgrens.
Van alle Rosella's is de Geelbuik Rosella de grootste.
De Brown Rosella kunnen we vinden in bosgebieden nabij rivieren en
wateren. Vreemd en tot op heden 'onverklaarbaar' is het gegeven dat
de Brown Rosella in zijn leefgebied steeds zeldzamer schijnt voor te
komen. Mogelijk dat het nomadisch gedrag van de vogels, d.w.z. ze
blijven niet op een vaste plaats maar trekken rond, deze indruk
heeft doen ontstaan.
In het algemeen geldt voor Brown Rosella's dat het zeer schuwe
vogels zijn en dat ze zich daardoor moeilijk laten observeren.
VOEDING
De voeding van de soorten, die overwegend in open gebieden leven,
zoals Rosella, Prachtrosella, Stanley Rosella, Adelaide Rosella en
Bleekkop Rosella, bestaat vooral uit zaden van grassen en allerlei
wilde planten. Verder voeden ze zich met vruchten, bloemsemnektar,
bladknoppen, en diverse soorten insekten en hun larven.
Door hun voorkeur voor bloesem van fruitbomen kunnen ze aanzienlijke
schade toebrengen aan boomgaarden (o.a. Rosella, Prachtrosella, Stanley Rosella, Pennant Rosella, Adelaide Rosella en Strogele Rosella). Ook Bleekkop Rosella's kunnen een plaag vormen voor
boomgaarden en maïsvelden.
Veel soorten zoeken boerderijen op waar zij fourageren op gemorst
graan op erven, stoppelvelden en in hooibergen.
Over het algemeen kunnen we stellen dat elk ras, ieder in zijn eigen
verspreidingsgebied, in snel tempo het agrarisch landschap verovert.
Ze leven hier voornamelijk van gemorst graan dat voor de boeren geen
enkele waarde meer heeft.
Ze richten daarom weinig schade aan, behalve dan wanneer ze zich te
goed doen aan bloesem van boomgaarden. Tot op heden is niet geheel
duidelijk in hoeverre de verschillende Rosella-soorten afhankelijk
zijn van de landbouw. Waarschijnlijk maken ze er alleen maar gebruik
van en zijn ze (nog) niet afhankelijk van de landbouw. Toch schuilt
het gevaar dat bepaalde soorten op den duur te afhankelijk worden
van de landbouw. Als we daarbij bedenken dat de landbouw niet alleen
in Nederland maar ook in Australië een onzekere toekomst heeft, dan
is enige ongerustheid in dezen gerechtvaardigd.
De soorten die zich meer ophouden in bomen eten, naast graszaden en
onkruidzaden, veelal bessen, noten, vruchten, zaden van
eucalyptusbomen en insekten zoals termieten en houtboorders.
De soorten die zich ophouden in tuinen en parken eten vooral zaden
van coniferen en sparren alsmede diverse soorten bessen van struiken
en bomen.
DE VOEDING IN GEVANGENSCHAP
In gevangenschap dient de voeding te bestaan uit een goede
zaadmengeling voor grote parkieten, onkruidzaden en vruchten.
In de periode dat de vogels jongen hebben moeten ze ook ruimschoots
de beschikking hebben over dierlijke eiwitten. Naast het verstrekken
van eivoer is het verstandig meelwormen en maden, als bijvoeding te
verstrekken (bijvoorbeeld 2 meelwormen per jong per dag). Bij een
tekort aan dierlijke eiwitten zien we ook vaak dat de vogels hun
jongen onvoldoende voeden en uiteindelijk zelfs in de steek laten.
Hetzelfde gedrag zien we bij europese wildzangvogels, die ook hun
jongen in de steek laten wanneer er onvoldoende dierlijke eiwitten
voor handen zijn.
Dagelijks vers en fris bad- en drinkwater is noodzakelijk, terwijl
ook maagkiezel en grit niet op het menu mogen ontbreken.
HET KARAKTER VAN ROSELLA'S
Voor de meeste Rosella-soorten geldt dat ze van nature erg
vechtlustig zijn, vooral tegenover soortgenoten.
Door het vechtlustig karakter dient u als kweker bij het
samenstellen van de paren er daarom goed op te letten of de vogels
elkaar verdragen. Enige tijd de vogels gadeslaan is hierbij een
vereiste omdat de gevechten zo hevig kunnen zijn dat direct
ingrijpen noodzakelijk is.
Het is ook erg belangrijk om niet direct, bij verlies van een
partner, een andere partner te geven. In een dergelijk geval kunt u
de vogels het beste aan elkaar laten wennen door ze in naast elkaar
liggende rennen te plaatsen.
Verder is het belangrijk om bij het samenstellen van paren altijd
het mannetje in de voliére van de pop te plaatsen en niet omgekeerd!
Voor het verkrijgen van goede broedresultaten is het verder van
belang nooit Rosella-soorten naast elkaar te plaatsen, maar de
aangrenzende ren(nen) te bevolken met niet verwante soorten.
Vooral de Brown Rosella blijkt vanwege zijn karakter een moeilijke
broedvogel. Bij deze soort is alleen al de paarvorming een groot
probleem. Brown Rosella's blijken erg kieskeurig in het accepteren
van een partner. Bij deze soort is het daarom van belang een paartje
de beschikking te geven over een grote vlucht van 5 á 6 m. lengte,
zodat de pop uitwijkmogelijkheden heeft als de man haar agressief
benaderd. Indien dit nog onvoldoende helpt zal de man gekortwiekt
moeten worden.
Het karakter van de Stanley-Rosella en de Geelbuik Rosella worden
door verschillende auteurs als rustige en prettige vogels aangeduid.
Als ik naar mijn eigen Rosella-soorten kijk dan ben ik het, zeker
voor wat betreft de Stanley Rosella, het met deze stelling eens.
HUISVESTING
Het houden van Rosella's hoeft geen problemen te geven in ons land.
Ook in Australië trotseren ze immers koud en vochtig weer. Hoewel ik
weet dat veel kwekers de vogels in een voliére houden zonder echt
nachthok (wel goed beschut en voorzien van een dak en dichte
achterzijde en zijkanten en een afgeschermde voorzijde) ben ik toch
van mening dat een voliére waarin Rosella-soorten worden gehouden
een goed afgesloten en droog nachtverblijf dient te bezitten.
De ren dient een lengte van 3 á 4 meter te hebben en ± 1 meter breed
te zijn. Zelf houd ik de vogels in rennen van 3 meter lang en 0.80
m. breed. Daarnaast bezitten alle rennen bij mij een apart
nachtverblijf.
In hun natuurlijke omgeving trekken de verschillende Rosella-soorten
over het algemeen paarsgewijs op, ook na de broedtijd. Een aantal
soorten waaronder de Rosella en de Adelaide Rosella komen buiten de
broedperiode in kleine groepjes voor (De Rosella zelfs in zwermen).
Een groepje Pennant Rosella's zal echter zelden waar te nemen zijn.
Het zal u uit bovenstaande duidelijk zijn dat Rosella-soorten
paarsgewijs in aparte rennen gehouden dienen te worden.
Zoals reeds eerder opgemerkt is het onverstandig de soorten in naast
elkaar gelegen rennen te houden. Veel beter is het in naast gelegen
rennen onverwante soorten te houden.
Ten aanzien van dit advies wil ik nog opmerken dat alle soorten zeer
nauw aan elkaar verwant zijn. In streken waarin de
verspreidingsgebieden elkaar overlappen komen vruchtbare bastaarden
dan ook veelvuldig voor.
Zo schijnt de Rosella in het wild regelmatig te paren met de
Bleekkop Rosella. De jongen hiervan hebben rood in de veren van de
kop. Gezien bovenstaande is het daarom niet ondenkbeeldig dat,
wanneer we verschillende soorten houden, mannen en poppen van
verschillende soorten "op elkaar vallen". Ook daarom is het van
belang de soorten niet in naast elkaar gelegen rennen te houden!
BROEDPROCES
In Australië nestelen Rosella's op allerlei geschikte plaatsen,
zelfs in houten grens- en telefoonpalen. Meestal nestelen ze echter
in holle takken of boomholten.
Een gekozen nest wordt dan veelal verder uitgehold en schoongemaakt.
De broedtijd van de verschillende soorten Rosella's valt in
Australië vanaf ± september tot in december. Bij ons in de voliére
begint de broedtijd zo rond februari (afhankelijk van het weer!).
Met betrekking tot de broedtijd van de Brown Rosella valt op te
merken dat deze soort tot op heden trouw blijft aan de broedtijd in
z'n vaderland, die loopt van december tot februari.
Hierdoor wordt de kweek met deze vogel erg bemoeilijkt. Veelal
zullen de jongen geboren worden in de herfst. In de herfst hebben we
te maken met koud en vochtig weer waardoor de jongen snel zullen
afkoelen en er grote kans bestaat op sterfte! Ook zijn de dagen in
deze periode korter waardoor er veel minder tijd aanwezig is voor
het voeren van de jongen.
Bij de kweek met de Brown Rosella is het daarom verstandig geen
nestkast te geven in de buitenvlucht maar deze op te hangen in een
af te sluiten binnenverblijf. Hierdoor wordt het mogelijk de dagen
kunstmatig te verlengen en de temperatuur te beheersen (verwarming).
Daar de Brown Rosella erg gevoelig blijkt voor storingen tijdens het
broeden is rust in de onmiddelijke omgeving van de vogels een
vereiste!
In de voliére kunnen we het best een nestkast geven van 60 cm hoog
en een bodemopppervlak van 25 x 25 cm. De middellijn van het
invlieggat dient ± 7 cm. te zijn. Bij kleinere soorten, zoals de Stanley Rosella, kan eventueel een iets kleiner nestblok (45 cm hoog,
bodemoppervlak 20 x 20 cm, invlieggat 6 cm) worden gegeven.
Als nestmateriaal kan het best vochtig houtmolm, turf en of rottend
hout worden gegeven. Met nadruk schrijf ik hier vochtig omdat de
nesten in het wild vaak ook vochtig zijn!
Het verdient de voorkeur een broedstel de keuze te geven uit
meerdere broedblokken (minstens 2). Heeft een paartje eenmaal een
broedblok gekozen dan kan de andere(n) worden weggehaald.
Bij het plaatsen van het broedblok is het verder van belang het blok
zo te hangen dat het invlieggat naar het donkerste gedeelte van de voliére is gekeerd.
De eerste kenmerken dat het mannetje paarlustig wordt is het
spreiden van de staartveren en het zogenaamde staartschudden (=het
horizontaal op en neer slaan van de gespreide staart).
De balts bestaat verder uit vriendelijk klinkende lokroepen, waarbij
het mannetje de vleugels enigzins laat afhangen en zijn borstveren
opzet. In deze stemming zal het mannetje snel overgaan tot inspektie
van de opgehangen nestblok(ken).
Als het popje zijn voorbeeld volgt en langere tijd in het nestblok
blijft is dat een teken dat de keuze is bepaald.
Opgemerkt dient te worden dat in de broedperiode de mannetjes de
gewoonte hebben achter hun pop aan te jagen, dit blijft echter
altijd zonder ernstige gevolgen.
In de tijd die dan komt zullen er (nog) diverse paringen
plaatsvinden en na ± 14 dagen mag het eerste ei verwacht worden.
De eitjes worden om de dag, en veelal in de vroege ochtenduren,
gelegd.
Gemiddeld legt de pop 5 eieren, die alleen door haar worden bebroed.
De eieren hebben een grootte van ± 24x22 mm. en zijn wit van kleur.
Dit is overigens bij vrijwel alle holenbroeders het geval omdat de
eieren niet gecamoufleerd hoeven te worden voor eventuele vijanden.
Tijdens het broeden verlaat de pop 2 á 3 keer per dag het nest om
zich te ontlasten.
Na 20 -21 dagen wordt het eerste jong geboren. Zoals reeds eerder
opgemerkt is het in deze periode van belang dat er ruim dierlijke
eiwitten (eivoer, meelwormen, maden e.d.) voorradig zijn.
Ook in hun natuurlijke omgeving verorberen de vogels immers insekten
en larven van insekten, die worden verkregen door het verwijderen
van boomschors en verrot hout.
De eerste 10 dagen worden de jongen overwegend door de pop gevoerd.
Na 10 dagen, als de jongen sneller beginnen te groeien, worden ze
door beide oudervogels gevoerd.
De jongen verlaten na ± 5 weken het nest en worden nog enkele weken
door de oudervogels gevoerd/bijgevoerd. Afhankelijk van de soort
duurt het vaak 15 tot 18 maanden voordat ze volledig op kleur zijn.
Veel soorten brengen bij een goede verzorging 2 broedsels per jaar
voort.
Heeft zich eenmaal een goed kweekstel gevormd dan is hier gedurende
lange tijd plezier aan te beleven. Er zijn namelijk broedstellen
bekend die na dertig jaar nog aktief en vruchtbaar(!) zijn en jongen
voortbrengen.
De jongen van de verschillende soorten dienen met de volgende
ringmaten te worden geringd:
Rosella - 5,4 mm.
Stanley Rosella - 5,4 mm.
Brown Rosella - 5,4 mm.
Geelbuik Rosella - 6 mm.
Pennant Rosella - 6 mm.
Strogele Rosella - 6 mm.
Adelaide Rosella - 6 mm.
Bleekkop Rosella - 6 mm.
MUTATIES
Onder de verschillende soorten komen regelmatig spontane mutaties
voor. Helaas maken dergelijke vogels weinig kans te overleven omdat
ze door roofdieren snel worden opgemerkt.
In gevangenschap hebben de vogels hier geen last van. Integendeel,
de kwekers zullen er immers alles aan doen om een nieuwe mutatie in
stand te houden.
Met name bij de Prachtrosella, de Pennant Rosella en de Strogele Rosella kennen we inmiddels de volgende mutaties:
Prachtrosella
Bij de Prachtrosella (Pl. eximius cecilae) kennen we momenteel
de volgende mutaties:
* lutino
* cinnamon (ook wel isabel genoemd)
* pastel
* rood
* witvleugel.
Vaak zien we dat de termen cinnamon en isabel door elkaar gebruikt
worden. In beide gevallen hebben we met één en dezelfde (geslachtsgebonden)faktor
te maken. In de praktijk wordt echter een "slechte" cinnamon vaak
als isabel aangeduid!
Natuurlijk zijn er vele combinaties van bovenstaande mutaties
mogelijk.
Pennant Rosella
Bij de Pennant Rosella (Pl. elegans) komen momenteel de volgende
mutaties voor:
* blauw
* geel
* wit.
Inmiddels kennen we bij de Pennant Rosella ook de cinnamon
mutatie (kaneelbruine i.p.v. zwarte tekening). Deze mutatie werd het
eerst gekweekt bij de heer Heesakker in Erp.
Helaas is de cinnamon faktor bij de Pennant Rosella tot op heden
geen echte favoriete mutatie bij de kwekers. Vooral het feit dat er
weinig contrast optreedt tussen de rode kleur in combinatie met de
bruine tekening zal hier debet aan zijn.
Strogele Rosella
Bij de Strogele Rosella kennen we inmiddels als mutatie de bontfaktor.
Tot slot van dit artikel zou ik nog het volgende tegen de kwekers
van Rosella's willen zeggen: "Probeer de rassen zo zuiver mogelijk
te houden". Helaas worden nog te vaak verschillende rassen van
eenzelfde soort door elkaar gekweekt.
Zo zien we in de praktijk vaak kruisingen van Rosella x
Prachtrosella of "Westelijke" Stanley Rosella x "Oostelijke" Stanley
Rosella.
Hoewel ik besef dat dit vaak berust op onwetenheid lijkt het mij
toch wenselijk dergelijke kruisingen zoveel mogelijk achterwege te
laten. Vooral ook omdat de jongen uit dergelijke kruisingen op
tentoonstellingen nimmer voor een hoge punten waardering in
aanmerking komen.
A. van Kooten
|
Op zoek
naar een goed en betaalbaar boekje over Rosella´s ? |
|

Bestellen? Klik
op de afbeelding. |
De rosella is een
Australische platstaartparkiet. Waar komt zijn naam vandaan?
Wanneer is deze vogel voor het eerst ontdekt door biologen? Waar
kunt u het best informatie opvragen over rosella’s en waar kunt
u ze kopen? De antwoorden op al deze vragen staan in dit boek.
Praktische tips en adviezen over huisvesting en het bouwen van
een volière en gedegen informatie over waar u op moet letten bij
aanschaf, maar ook over de voeding en de verzorging kunt u
terugvinden in ‘de Rosella’s”. Heel interessant om te lezen zijn
de onderwerpen ‘gedrag’ en ‘rosella’s in de vrije natuur’. Voor
mensen die deze kleurrijke vogels willen kweken is dit boek een
echte aanrader. Op heldere en duidelijke wijze wordt uitleg
gegeven over het broedproces van de verschillende soorten en de
voorkomende kleurmutaties.
Prijs: €
7,95 (Excl. verzendkosten)
|
|
Op zoek
naar een goed en betaalbaar boek over parkieten en papegaaien? |

(39,90 euro +
2,60 verzendkosten)
Bestellen? Klik
op de afbeelding. |
Het boek, Papegaaien en
parkieten, Handboek en naslag-werk
beschrijft vrijwel alle in de avicultuur voorkomende soorten en
ondersoorten van de leden van de subfamilie der Psittacinae,
kort gezegd kromsnavels of wel papegaaien en parkieten. Dit boek
is samengesteld op basis van de allernieuwste inzichten van de
taxonomie en kent daardoor enkele zeer verassende elementen:
wist u bijvoorbeeld dat de Cacatua goffini niet meer
wetenschappelijk erkend wordt en nu Cacatua goffiniana
heet?
Dankzij de medewerking van
vele experts en liefhebbers
uit binnen- en buitenland hebben de samenstellers een
standaardwerk kunnen maken met uitmuntende foto-grafie. Dit boek
slaat tevens een brug tussen weten-schappelijke ornithologie
(bestuderen en beschrijven van vogels in de vrije wildbaan) en
avicultuur (houden van vogels in gevangenschap). De geheel
vernieuwde indeling, beschrijvingen van herkomst en leefgebied
in combinatie met alle informatie over het verantwoord houden
van deze vogels maakt dit boek onmisbaar
voor elke vogelliefhebber.
Beschrijvingen van:
232 soorten
242 ondersoorten |
Foto's van:
302 soorten en ondersoorten
35 mutaties
779 foto's in totaal |
|
Terug naar
startpagina
|
|