Voeding
Als basis kan aan valkparkieten een zaadmengsel voor grote parkieten
gegeven worden. Aanvullend kan een mengsel van gekiemde zaden (kiemzaad)
en eivoer worden verstrekt in een verhouding van 1:1. Zolang er geen
opgroeiende jongen zijn kan hier twee keer per week, ondanks dat de
vogels er ook vrij over moeten kunnen beschikken, scherpe maagkiezel en
oesterschelpengrit aan toegevoegd worden (een afgestreken theelepel per
twee vogels).Verder moet regelmatig wat fruit en groenvoer aan de vogels
gegeven worden. Zomers kunnen regelmatig (onbespoten) gras- en
onkruidzaden worden aangeboden.
Huisvesting
Valkparkieten kunnen per paar in afzonderlijke vluchtjes worden
ondergebracht. Groepshuisvesting in een ruime volière is echter ook
mogelijk. Voor paarsgewijze huisvesting voldoet een volière met een
afmeting van 300 x 90 x 200 cm en een tocht- en vorstvrij nachtverblijf
van bijvoorbeeld 100 x 100 x 200 cm. In dit laatste geval moet voor de
grootte van de volière ongeveer worden uitgegaan van 2 m³ vrije ruimte
per paar vogels.
Kweek
Als nestgelegenheid accepteren valkparkieten vrijwel alle soorten en
vormen nestblokken mits de ruimte binnenin het blok maar voldoende is.
Als indicatie kan een nestblok met een bodemoppervlak van 25 x 25 cm,
een hoogte van 25 á 30 cm en een invlieggat van van 8 cm doorsnee worden
aangehouden.
Als nestmateriaal kan gebruik worden gemaakt van rottend hout,
houtspaanders of zaagsel dat vermengd wordt met (onbemeste) potgrond of
turf.
Een paartje dat in goede broedconditie verkeert zal al vrij vlot
interesse tonen in opgehangen nestblokken. Dan ook is al vrij snel de
balts van de man waar te nemen. Hierbij houdt hij de kuif fier omhoog en
trippelt hij met wat gespreide vleugels rondom het vrouwtje. In deze
houding laat hij vaak de kop zakken, houdt de staart uitgewaaierd omhoog
en laat daarbij harde fluittonen horen. Indien de man de pop met dit
‘machogedrag’ voldoende heeft geïmponeerd gaan beide vogels al vrij snel
over tot de paring.
Opvallend bij valkparkieten is het feit dat tijdens het hele
paringsgedrag het elkaar voeren ontbreekt terwijl dat juist bij andere
soorten heel duidelijk op de voorgrond staat. Dit geeft trouwens ook
weer hun verwantschap met de kaketoes aan, want die doen dat evenmin.
Als we nagaan welke soorten elkaar wel en niet voeren, lijkt daar een
duidelijke lijn in te zitten: waar man en pop beide broeden wordt er
niet gevoerd, waar alleen de pop broedt wordt er wél gevoerd.
Na de eerste paring(en) duurt het gemiddeld ongeveer twee weken voordat
het eerste ei gelegd wordt. De volgende komen om de andere dag tot een
totaal van vier tot zes. Meestal beginnen de vogels na het tweede ei
met broeden. Man en pop lossen elkaar daarbij af. De man broedt meestal
overdag en de pop ’s nachts. De broedduur is 18 tot 20 dagen. De jongen
hebben bij het uitkomen een vleeskleurige huid die bedekt is met
geelkleurige donsveertjes. Na ongeveer zeven dagen openen de jongen voor
het eerst hun ogen. Dit is ook ongeveer het tijdstip waarop ze geringd
moeten worden. Op een leeftijd van veertien dagen zijn bij de jongen de
wangvlekken al vaag te onderscheiden en na ongeveer vier weken hebben ze
hun complete verenkleed.
De oudervogels laten in het algemeen nestcontrole gemakkelijk toe. Dit
geldt echter niet voor de jongen. Deze laten, bij het openen van het
nestblok, een hevig geblaas horen. Op een leeftijd van vier tot vijf
weken vliegen ze uit. Het is zaak om ze dan goed in de gaten te houden
omdat ze dan erg wild en onhandig zijn. Het is verstandig om in het gaas
van de volière wat takken te steken zodat de jongen er niet in volle
vaart tegenaan vliegen. Na het uitvliegen worden ze nog ongeveer twee
tot drie weken door de ouders gevoerd.
Een goed kweekkoppel valkparkieten kan per kweekseizoen gemakkelijk twee
tot drie grootbrengen. Het is wel aan te raden om de jongen van de
voorgaande broedronde uit te vangen en in een andere vlucht onder te
brengen. Verder verdient het aanbeveling om na elke broedronde het
nestblok (grondig) schoon te maken en te ontsmetten omdat de vogels er
een behoorlijke smeerboel van kunnen maken.
Nymphicus
hollandicus
- valkparkiet
Formaat:
wildvorm 32 cm, gedomesticeerd 34 cm.
Ringmaat:
5,4 mm.
Geslachtsonderscheid:
beide geslachten zijn goed van elkaar te onderscheiden.
De kleur van de pop is vooral aan de kop lichter en veel minder
sprekend. Daarnaast is bij de pop de staart aan de onderzijde
onregelmatig geel gestreept terwijl de onderzijde van de staart van de
man zwart is.
Man:
de lichaamsbevedering is in hoofdzaak diep donkergrijs van kleur, op de
borst en de buik iets lichter van tint. Het voorhoofd, de wangen en de
hals zijn geel gekleurd. De kenmerkende kuif is eveneens geel, echter
uitlopend naar zwart in de punt. Op beide wangen bevindt zich een grote
oranjerode oorvlek. De onderzijde van de staartveren is zwart. De
vleugels zijn overwegend diep donkergrijs. De vleugelranddekveren en de
grote vleugelslagpennen zijn wit waardoor het lijkt alsof de vogel
gedeeltelijk witte schouders en vleugels heeft. Rond de ogen bevindt
zich een smalle onbevederde grijze oogring. De iris is zwart en de
snavel en de poten zijn grijs.
Pop:
de pop is in het geheel veel lichter van kleur en tekening. Verder heeft
ze op de kop van de pop beduidend meer grijs dan de man en is de
oranjerode oorvlek veel lichter van kleur. De staart is aan de
onderzijde onregelmatig geel gestreept terwijl dit bij de man niet het
geval is. De pop is ongeveer even groot als de man, echter vaak wel in
het geheel iets breder, zo is mijn ervaring.
Jongen:
jonge valkparkieten lijken op de pop en zijn tot op een leeftijd van
zo'n zes maanden moeilijk op kleur van elkaar te onderscheiden. Daarna
beginnen de gele veren in de kop van de jonge mannen zichtbaar worden en
is geslachtsbepaling op kleur mogelijk. Na een jaar zijn de jonge vogels
geheel doorgekleurd en niet meer van de ouders te onderscheiden.
Herkomst en leefwijze
De valkparkiet komt in bijna heel Australië voor. Ze leven in het wild
in kleine groepjes. Hun leefgebied is niet specifiek. Ze komen in
diverse streken en gebieden voor. Zo kunnen we de vogels aantreffen in
dichte wouden, op met grassen begroeide woestijnachtige gronden maar ook
in malleegebieden. De laatsten hebben als belangrijkste visuele kenmerk
dat de bomen die er groeien bestaan uit meerdere boomstammen/stammetjes
die op dezelfde plaats de grond uit komen. Ze vormen dus een soort uit
de kluiten gewassen struiken van drie tot vier meter hoog.
Valkparkieten leven een zwervend bestaan en in het algemeen kan gesteld
worden dat ze zich daar ophouden waar voldoende water en voedsel
aanwezig is.
In het zuiden van Australië broedt deze soort in de periode van augustus
tot december, in het noorden van april tot juni en in Midden-Australië
houdt hij er geen vaste broedperiode op na. Afhankelijk van het weer,
met name regenval, broeden ze hier in elke maand van het jaar.
In het wild nestelen ze in holten van dikke takken en boomstammen,
waarbij hun voorkeur duidelijk uitgaat naar broedgelegenheden met een
vrij uitzicht.
Bijzonderheden
Valkparkieten zijn van nature erg gemakkelijk van aard. In gevangenschap
kunnen ze bijvoorbeeld gehuisvest worden in een volière met tropische
vogels. Huisvesting met andere kromsnavels is af te raden omdat ze zich
over het algemeen gemakkelijk laten afbluffen en de kans op broedsucces
daardoor zal verminderen.
Hun gemakkelijke aard maakt ook dat ze een partner vrij snel accepteren.
Soms duurt het wat langer als een kweekkoppel, om wat voor reden dan
ook, wordt verbroken. Zeker voor een beginnende liefhebber is de
valkparkiet bij uitstek een vogel om (kweek)ervaring(en) mee op te doen.
Valkparkieten zijn ook heel geschikt als huisdier. Ze kunnen in de
huiskamer gehuisvest worden in een ruime vogelkooi of kamervolière.
Bedenk dat een kooi in ieder geval voldoende ruimte moet bieden aan de
vogel(s). Voor één of twee valkparkieten is een kooi van bijvoorbeeld
100 cm lang, 60 cm diep en 80 cm hoog een goed onderkomen. Een grotere
kooi, zoals een kamervolière, is natuurlijk nog beter. Kleinere kooien
dan hierboven beschreven zijn af te raden. Belangrijk in dit kader is
ook dat de vogels dagelijks de gelegenheid moeten hebben om zich
(veilig!) vrijelijk buiten de kooi te bewegen en dat er door de
verzorger(s) voldoende aandacht aan hen wordt besteed.